Juryrapport 2012

Hoe lees je een gedicht eigenlijk? En hoe kom je ertoe er iets van te vinden?
Zulke vragen gaat een poëziejurylid zichzelf na een poosje stellen. Jureren is
een raar gedoe. Je moet vaak prestaties vergelijken die helemaal niet zo erg vergelijkbaar zijn. Bij dans snapt iedereen dat: iemand die een schitterende chachacha ten beste geeft, kan nauwelijks in competitie zijn met een achteroversaltoënde breakdancer. Maar ze kunnen wel ineens in één wedstrijd terechtkomen.
Zo is het met poëzie ook. Al is het hele woord wedstrijd natuurlijk licht bespottelijk: degenen die de afgelopen twee jaar een bundel schreven waren niet bezig met een wedstrijd, ze waren gewoon bezig met hun chachacha-woordjes of met hun breakzinnen. En dan komt er een jury en die gooit dat allemaal op een hoop en roept dan ineens: deze bekronen wij!
Enige relativering bij bekroningen is dus op zijn plaats.

Waarmee niet gezegd wil zijn dat het allemaal maar toeval en willekeur is. Elke bundel is een nieuw verhaal en waar je bij de ene bundel geniet van de krachtige vorm en de melodieuze zegging, verkneukel je je bij een andere om de kleine grapjes, of lees je geïntrigeerd omdat je iets niet begrijpt maar wel voelt dat er iets aan de hand is.

Dat klinkt vaag. Maar het merkwaardige is, dat in de jaren dat deze jury in deze samenstelling bestond, dat is de samenstelling van het – nu voormalige – bestuur van de Stichting Jo Peters Poëzie Prijs, en dat bestuur bestaat uit Tsead Bruinja, Marja Pruis, Wim van der Tol en Marjoleine de Vos, in al die jaren dus, we verassend veel overeenstemming hadden over welke bundels we de moeite waard vonden om te bespreken in het juryoverleg. Van de ruwweg tachtig bundels bleken er meestal pakweg vijftien te zijn die in eerste instantie door meer dan één jurylid waren verkozen en daarvan dan al gauw een stuk of tien die we wat nader wilden bespreken. Dat betekent dat we in die vijftien bundels toch allemaal iets herkenden, iets dat we in de andere bundels, misschien soms ten onrechte hoor, niet hadden gezien.

Ik vind dat elke keer weer een verheugende constatering. Je kunt geen lijstje met criteria geven en die per bundel gaan afvinken, maar blijkbaar heb je wel degelijk als poëzielezers overeenkomstige criteria in je hoofd, hoe onuitgesproken ook. En hoe verschillend per bundel ook. Want de vier bundels die we voor de Jo Peters PoëziePrijs 2012 hebben genomineerd zijn bepaald heel verschillend.

Marjolijn van Heemstra schrijft in Als Mozes had doorgevraagd nadenkende, soms wat melancholische gedichten, met een filosofische en levensbeschouwelijke inslag. Haar gedichten lijken soms proza-achtig met brede vertellende regels, vaker zijn ze zoals je denkt
dat gedichten zijn: regels die ophouden waar de dichter het wil, niet naar het moet van de drukker. Er is iets in haar toon dat je treft, als lezend jurylid maar ook als gewone lezer – dat is een belangrijk criterium of een jurylid kan vergeten dat hij of zij jurylid is en écht geboeid gaat lezen. Dat ga je doen bij Van Heemstra, omdat haar gedichten het zicht openen op een denk- en gevoelswereld die je zo nog niet kende.

Dat geldt ook voor Lieke Marsman, dat geldt misschien trouwens wel voor elke goede dichter, reden waarom het zo moeilijk is om in het algemeen over een bundel te praten.

Lieke Marsman geeft in Wat ik mijzelf graag voorhoud haar gedichten heel eigenzinnig vorm. Haar gedichten zijn vaak lang en ze laat erin zien hoe haar gedachten hun gang gaan – dan blijken die gedachten verassend, nieuw, fris en zowel navolgbaar, want je kunt ze volgen, als onnavolgbaar, want je zou ze niet zelf kunnen denken. Laat staan dichten.

Sasja Janssen, genomineerd met Wie wij schuilen, is een totaal andere dichter, eentje die het de lezer moeilijk maakt maar niet om het moeilijk-maken zelf, maar omdat sommige dingen bemoeilijkend gezegd moeten worden wil je vrij krijgen wat erachter, ertussen, eronder zit. Per halve regel zijn haar gedichten trouwens helemaal niet moeilijk. Het is de opeenvolging van zinnen die de lezer soms in verwarring brengt en tegelijkertijd intrigeert.

En Maarten Moll tenslotte koos één onderwerp voor zijn bundel Lichaam: het lichaam van zijn vader. Dat lichaam gaat hij gedicht na gedicht grondig na, hij komt op plaatsen waar een zoon normaal gesproken niet komt en richt zodoende een vader op en breekt hem tegelijkertijd geheel in kleine onderdelen af.

Alle vier deze dichters kunnen het heel goed en alle vier heel anders.
Wij bekroonden de bijzondere en eigen stem van Marjolijn van Heemstra.

De juryMarjolijn van Heemstra

  • Marjoliene De Vos (voorzitter)
  • Tsead Bruinja
  • Marja Pruis
  • Wim van der Tol