Juryrapport 2006

Zo’n zeventig eerste en tweede bundels uit 2004 en 2005 werden door uitgevers ingezonden om in aanmerking te komen voor de Jo Peters PoëziePrijs 2006.

De jury had dus wat te lezen. We zouden liegen als we zeiden dat het allemaal briljant was wat we onder ogen kregen, maar zeker is wel dat het geen enkele moeite kostte om een lijst op te stellen van zo’n vijftien dichters die allemaal interessant genoeg waren om eens goed nader te bekijken.

De jury wil niet onder stoelen of banken steken dat zij heel plezierige uren heeft doorgebracht met het nauwkeurig lezen, bespreken, doorgronden, leren wennen en leren kennen van al die bundels en stemmen. Dat we uiteindelijk vier bundels uitkozen betekent dan ook bepaald niet dat er niet heel veel meer dichters en bundels zijn die zeer de moeite van de kennismaking lonen.

De bundels die uiteindelijk genomineerd werden zijn, in alfabetische volgorde: Jan-Willem Anker Inzinkingen; Koenraad Goudeseune Zen uit eigen werk; Erik Jan Harmens Underperformer en Peggy Verzett Prijken die buik.

Elk van die bundels heeft een heel eigen toon, ze verschillen onderling sterk van elkaar. Jan-Willem Anker schrijft gedichten die raadselachtig zijn ondanks zijn heldere taal. Het woord ‘raadselachtig’ is hier het juiste, zijn verzen zijn niet duister maar geven eerder de sensatie of je iets ziet glinsteren onder het zand, iets ziet blinken in het water – en als lezer wil je erachter komen wat dat is. Zoals men zich niet eerder gehoorde muziek eigen wil en moet maken door steeds weer te luisteren, zo ook vraagt de poëzie van Anker om herhaalde lezing. Niet om uiteindelijk te kunnen zeggen: ‘Ik snap het’, maar wel om de sen-satie te krijgen dat zich iets opent, een vergezicht, een inzicht dat niet uitgedrukt kan worden, een bedachtzame sensatie van taal. De dichter is uit op een andere blik, zoals hij in een gedicht met de titel ‘Ars poëtica (onvolledig)’ zegt. Hij laat daarin een jongen voor zijn grootvaders landkaart staan ‘Maar ik herkende de continenten en schiereilanden niet/ omdat ik dacht vanuit de vorm van de omsluitende oceaan’. Zo ook moet de poëzie zijn, een ‘kinderlijk soort verwarring’.

Koenraad Goudeseune lijkt luchtige voorvallen uit het leven van alledag te vertellen, hoewel zelfs het woord ‘voorvallen’ al wat zwaar klinkt voor waar hij het over heeft: er valt sneeuw, er vaart een binnenschip, het is herfst, meisjes hebben borsten, een krantenbericht meldt dat een dichter is begraven, er zit een brief in de post. De toon is licht, kalm, geestig en de formuleringen verrassend: ‘Als het sneeuwt regent het witte handschoentjes’, ‘de hitte hangt als porno in de lucht’ ‘Ik hoorde het klagen van in de steek gelaten mannen./ Ze waren met zoveel en ze hadden het allemaal koud.’ Goudeseune leest men met een glimlach -en met een verwondering die pas lang na het lezen wegsterft.

Erik Jan Harmens gaat moeilijke onderwerpen aan. Autisme en dood, ze duiken overal in zijn bundel op. Hij bedient zich van een harde toon en maakt de bijbehorende harde grappen – op enige zachtheid lijkt de dichter zich niet te willen laten betrappen. De indruk moet gewekt worden dat hier een keiharde jongen aan het woord is: ‘laten we het donker maken zeg je en ik trap een nachtlampje aan gruzelementen’. Er komt veel modern Engels in zijn bundel voor en de namen van medicijnen -spierverslappers, slaapmiddelen, pijnstillers duiken af en toe op. Deze gedichten schreeuwen en steken de draak en doen stoer, omdat er iets te overschreeuwen is. Iets dat zichtbaar blijft, of juist wordt, door het mitrailleurvuur van Harmens’ gedichten heen. Heel hard zijn om iets zachts te tonen, dat kan deze dichter.

Peggy Verzett ten slotte, leidt ons wonderlijke taalwerelden in, waar een prior terug komt van ‘taaldaden uit de onderwereld’, waar hazen ‘schrezen’ wat dat dan ook mag betekenen, waar de vraag gesteld wordt of er vet is na de dood en beweerd wordt ‘ja daar kan je het over hebben met elkaar’. Deze dichteres lijkt vooral door de taal zelf geïnspireerd te worden, waar ze mee om gaat alsof het verf is: een likje hier, een toetsje daar, een grappige kleurtegenstelling en het geheel is een abstract schilderij met een onuitlegbare bekoring. Wie wil samenvatten en duiden krijgt het moeilijk met deze poëzie waarin zoutmannen uitgespreid liggen op de sofa en een neohond op wolventred loert. Het beste is wellicht gewoon maar lezen en genieten.

Uit deze vier bundels die stuk voor stuk krachtig, eigenaardig en verbazend zijn moest de jury kiezen. Zij heeft dat gedaan. De keus viel, na ampele overweging, op de onbekende muziek en de raadselachtige helderheid van Jan-Willem Ankers’ Inzinkingen.

De jury

  • Remco Ekkers
  • Erik Menkveld
  • Marjoleine de Vos