Juryrapport 2010

Het is een genoegen om de hele oogst aan eerste en tweede bundels te lezen elke twee jaar. Je houdt de vinger aan de pols van de tijd – veel jonge stemmen klinken op uit wat je leest, soms ook een oudere van iemand die al veel heeft gelezen tot hij of zij dacht: ‘dat kan ik ook, maar dan anders’.

Wat beweegt al die mensen ertoe gedichten te schrijven denk je soms, al lezende. Wat is dat voor een geheimzinnige aandrang om woorden achter elkaar te zetten, ze half en half van hun betekenis te ontdoen, tegelijkertijd die betekenis tot het uiterste aan te scherpen, nieuwe verbanden te leggen, oude verbanden in ere te herstellen, angstaanjagend persoonlijk te zijn en zo algemeen als maar mogelijk is, en dat alles in een paar regels op een nogal witte pagina. Waarom doen steeds weer nieuwe dichters dat, waarom gaan degenen die het eerder hebben gedaan er hardnekkig meer door?
Het zijn vragen waar je geen antwoord op krijgt en al lezende vergeet je ze ook – de gedichten zijn de antwoorden.

Ze moeten er zijn, dat begrijp je vanzelf als je de goede gedichten onder ogen krijgt.

En goede gedichten waren er volop deze keer – eigenlijk zijn er elke twee jaar wel heel veel goede gedichten en, bij uitbreiding, goede dichters te ontdekken. En misschien is het dus ook wel zo dat we elke twee jaar dat trotse gevoel hebben van werkelijk bijzondere dichters te kunnen presenteren.

Dit jaar zijn drie van de vier genomineerde bundels tweede bundels. Het is niet zo dat die altijd beter zijn dan eerste bundels. Je ziet wel vaak dat dichters iets duidelijker hun vorm en stem gevonden hebben, ze hoeven niet meer steeds zichzelf uit te proberen met een totaal nieuwe manier van zingen, al doen ze dat soms wel, omdat ze in beweging willen blijven.
Als je er een poosje over nadenkt kun je er steeds minder iets van zeggen, van wat dichters doen.

Het beste is gewoon hun gedichten te lezen.

Dat heeft de jury, die bestaat uit het bestuur van de Stichting Jo Peters PoëziePrijs, ook dit jaar weer met overgave gedaan. En we nomineerden de eerste bundel van Annemieke Gerrist, Waar is een huis, omdat we haar droge tafereeltjes opmerkelijk vonden. Gerrist schakelt gedachten en dingen die te zien zijn, feiten en waarnemingen achter elkaar zodat er een verband voelbaar wordt – maar wat is dat verband? De wereld lijkt vertrouwd in haar zinnetjes en tegelijkertijd onbewoonbaar. Waar is een huis, dat zou je best willen weten als je een poosje deze gedichten leest. En of je in dat huis zou kunnen wonen.

De schuur in van Marije Langelaar is een tweede bundel, die zorgvuldig is opgebouwd in drie afdelingen. De eerste begint met een verhandeling over het hoofd, de tweede met woorden die bij ‘vrouw’ horen, de derde met woorden die bij ‘man’ horen. De afdelingen laten de wereld van heel verschillende kanten zien, er zijn sprekers aan het woord die stoer zijn of liefdevol, en die soms heel bizarre dingen vertellen, zoals dat ze in een vis zijn gevallen, of eitjes verstopt hebben met een paashoer, of een spreeuwencongres in Warschau bezochten. Er is van alles aan de hand in de wereld, en vooral in deze poëzie, dat in kalme grilligheid, dwingend om aandacht vraagt.

Thomas Möhlmann ontving voor zijn eerste bundel de Van der Hoogtprijs en het lijkt wel of hij als dichter volwassen geboren werd. Zijn tweede bundel, Kranen open lijkt met soepel gemak geschreven, alle gedichten welgevormd maar wel in verschillende vormen. En daarin filosofische en zangerige vragen, over de tijd, over grenzen, over de plek waar iemand zich bevindt en de plek die iemand is. En tenslotte doet de dichter in de laatste vier gedichten net of hij de hele bundel samenvat en becommentarieert, en bergt vervolgens alles wat uitgestald werd netjes weer op: ‘in de kom de vis, in de kwal de zee’.

De gedichten in Namens de ander van Ester Naomi Perquin vertellen vaak hoe het zit of wat er gebeurde: zo betreed je een plein, dit is een samenscholing, ik werd opgebeld door iemand die vroeg of ik Richard was. Alles tamelijk duidelijk, maar in haar melodieus en soepel in elkaar gezette gedichten is de raadselachtigheid intussen heel groot. Vragen en angsten doen zich stoerder voor dan ze zijn, wat ze lukt omdat ze zo’n stevige verstechnische jas hebben aangekregen. Perquin leek al direct haar dichterlijke stem gevonden te hebben en haar eerste bundel werd dan ook meteen genomineerd en beprijsd.

De tweede ook. Nu. Met de Jo Peters PoëziePrijs 2010.

Landgraaf, 24 april 2010, de jury van de Jo Peters PoëziePrijs:

  • Tsead Bruinja
  • Wim van der Tol
  • Marja Pruis
  • Marjoleine de Vos